alleen in 1947, 1959, 1976 en 2018 droger 

Nog steeds zeer groot neerslagtekort 

10 september - Volgens berekeningen van Meteo Limburg, op basis van 10 KNMI-neerslagstations in Noord- en Midden-Limburg op de droogste zandgronden, is het zogenaamde doorlopend potentieel neerslagtekort t.o.v. de verdamping dit jaar van 1 april tot en met 10 augustus opgelopen tot ongeveer 270 mm.

Dit betekent dat bijvoorbeeld het nu bruin verdorde gras vanaf 1 april 270 liter regenwater per vierkante meter te kort is gekomen om de hoge verdamping bij te benen, en optimaal te groeien.

Grafiek: Doorlopend neerslagtekort Noord- en Midden-Limburg tot en met 10 september 2019, t.o.v. de extreem droge jaren 1947, 1959, 1976 en 2018

 

Dit neerslagtekort is erg hoog, maar was vorig jaar op 10 september nog iets hoger met 320 mm. Na de Tweede Wereldoorlog was het in slechts vier jaren droger dan momenteel het geval is: 1947, 1959, 1976 en 2018.

In de top 10 hoogste neerslagtekorten begin september sinds 1946 staat 2019 op de vijfde plaats, gevolgd door 1989 en 1995 (tekort van 240 mm) en 1990, 1991 en 2009 met begin september een neerslagtekort van iets meer dan 200 mm: allemaal jaren sinds de klimaatsprong van 1988 toen de jaren opvallend warmer werden.

Overigens waren er ook voor de oorlog erg droge jaren, zoals het extreem droge jaar 1921.

Berekening neerslagtekort 

Het doorlopend potentieel neerslagtekort of -overschot wordt verkregen door dagelijks het verschil te berekenen tussen de hoeveelheid gevallen neerslag en de berekende referentiegewasverdamping vanaf 1 april, het begin van het groeiseizoen. Dit verschil wordt dagelijks gesommeerd. Als er meer water verdampt dan er regen valt, is er een neerslagtekort.

Als er bijvoorbeeld op een dag 1 mm regen valt en de verdamping bedraagt 3 mm, dan is het neerslagtekort (t.o.v. de potentiële verdamping) op deze dag 2 mm. Als er de volgende dag 2 mm regen valt en de verdamping is 5 mm, dan was het tekort op deze dag 3 mm. Na twee dagen is het neerslagtekort dus 2+3=5 mm. Dit wordt gedurende het groeiseizoen dagelijks opgeteld.

Dit neerslagtekort is dus niet het tekort aan regen ten opzichte van normaal.

Zomer vorig jaar nog warmer, zonniger en droger 

Dat het neerslagtekort (dus t.o.v. de verdamping en niet t.o.v. normaal) tot dusver dit groeiseizoen vanaf 1 april lager is dan vorig jaar, ondanks drie hittegolven, komt oa door de koude meimaand met niet meer zonneschijn dan normaal. Hierdoor bleef de verdamping beperkt. Ook tijdens het eerste deel van juli was het niet extreem warm en zonnig, waardoor er geen extreem hoge verdamping was.

De meteorologische zomer van juni tot en met augustus was op het KNMI-weerstation van de luchthaven bij Beek, metingen sinds 1946, dit jaar de op twee na warmste en op twee na zonnigste zomer: zomers 2003 en 2018 warmer, en zomers 1947 en 1947 nog iets zonniger. In Noord- en Midden-Limburg was ook de zomer van vorig jaar iets zonniger dan dit jaar, met daardoor een iets hogere verdamping en een groter neerslagtekort. Ook viel er vorig jaar in de zomer minder regen. Ten zuidoosten van de lijn Weert-Venlo viel van juni tot en met augustus 2018 slechts 70 tot 100 mm regen, elders iets meer dan 100 mm regen (normaal ruim 200 mm). Dit jaar viel in de drie zomermaanden op de meeste plaatsen 140 tot 170 mm regen.

Blokkades 

Het is zeer opvallend dat het al voor het tweede jaar op rij extreem droog is, waardoor het grondwater op veel plaatsen extreem laag staat.

Er is al sinds februari vorig jaar spraken van een, gemiddeld genomen, langdurige maandenlange geblokkeerde weersituatie waarbij verschillende krachtige hogedrukgebieden boven het Europese vasteland, die zeer sterk zijn ontwikkeld in de hoge luchtlagen, depressies tegenhouden. Het is niet één lange blokkade. De blokkades kunnen tijdelijk onderbroken door een westcirculatie waarbij depressies aan zet zijn met veel regen. Dat is in december vorig jaar gebeurd met circa 100 mm regen, en half maart dit jaar viel zoveel regen dat er een hoogwatergolfje door de Maas trok.

Blokkerende hogedrukgebieden zorgen voor droogte en door dalende luchtbewegingen warmt de lucht ook nog eens sterk op. De positie van de hogedrukgebieden (windrichting) bepalen de temperaturen. Bij een hogedrukgebied boven Scandinavië is er een droge noordoostelijke wind met gematigde temperaturen, maar bij een hogedrukgebied ten oosten van ons zorgt een zuidelijke wind voor aanvoer van hete lucht vanaf de verdroogde gebieden in Zuid-Europa (hittegolven).